Het nieuwe gemeenschappelijke statuut voor arbeiders en bedienden,

De regering heeft op 5 juli een compromisvoorstel gedaan om het onderscheid tussen arbeiders en bedienden weg te werken. Ten minste voor wat betreft de ongelijke behandeling in verband met opzeggingstermijnen en carensdag. Het compromis is een politiek werkstuk. Het is geen resultaat van onderhandelingen tussen werkgevers en vakbonden. De regering heeft , na meer dan 27 uren pendeldiplomatie, uiteindelijk zelf enkele knopen doorgehakt. De voorgestelde oplossing moet nog verder worden uitgewerkt in werkgroepen, adviezen en wetsontwerpen. De minister van werk maakt zich sterk dat dit zal lukken tegen 1 januari 2014. We geven hier de , volgens ons, 10 belangrijkste elementen van het compromis.

1. Afschaffing van de carensdag

De carensdag is de eerste dag van een periode van ziekte. Voor arbeiders moet deze dag niet worden betaald. Bedienden ontvangen gewaarborgd loon vanaf dag één. Het grondwettelijk Hof had al gezegd dat dit onderscheid discriminerend is. In het voorstel van de regering wordt de carensdag afgeschaft vanaf 1 januari 2014. De harmonisering van de regelingen voor het gewaarborgd maandloon (30 kalenderdagen) en maatregelen ter bestrijding van het ziekteverzuim zijn voor later.

2. Afschaffing van de proeftijd.

Gedurende een proefperiode kan er met een zeer korte termijn een einde gesteld worden aan de arbeidsovereenkomst. De regeling van de proefperiode is sterk verschillend geregeld voor arbeiders en bedienden. Het zal in de toekomst niet meer mogelijk zijn om een proefbeding te voorzien in een contract van onbepaalde duur.

3. Radicale vereenvoudiging van de ontslagregeling

De opzeggingstermijn voor ‘werknemers’ zal in de toekomst drastisch vereenvoudigd worden. Voor de bepaling van de opzeggingstermijn zal er nog slechts één criterium zijn: anciënniteit. Enkel de duur van de dienstperiode wordt bepalend voor de opzeggingstermijn die de werkgever moet respecteren. Deze opzeggingstermijn zal geleidelijk worden opgebouwd: per kwartaal gedurende de eerste twee jaar en vanaf het derde dienstjaar per jaar. De opbouw van de opzeggingstermijn verloopt sneller gedurende de eerste 8 kwartalen van de dienstbetrekking. De opzeggingstermijn zal uitgedrukt worden in weken. Wellicht zullen opzeggingstermijnen daardoor aanvangen vanaf de maandag volgend op de week waarin de opzeggingstermijn wordt betekend. De arbeiders boeken dus een aanzienlijk vooruitgang wat hun opzeggingstermijn betreft. Voor de lagere bedienden geldt min of meer een status quo, de hogere bedienden zullen voortaan een veel geringere opzeggingstermijn krijgen. Het voorstel van de regering zou als een wettelijk maximum gelden. Wat zou betekenen dat sectoren of bedrijven geen afwijkingen ten gunste van de werknemers kunnen onderhandelen. Dit zou het sociaal overleg natuurlijk volledig uithollen!

4. Vastklikken van verworven rechten

De nieuwe opzeggingsregeling zal ook gelden voor de lopende contracten. Om te beletten dat bedienden of arbeiders die de voordelen van het bediendestatuut hebben, er op achteruit gaan, werd een systeem van behoud van verworven rechten uitgewerkt. De opzeggingsrechten die een werknemer heeft opgebouwd in het verleden, worden bijgeteld bij de termijn die vanaf 1 januari 2014 zal gelden. Het vastklikken van verworven rechten betekent ook dat de zogenaamde formule Claeys moet worden verankerd. Dit bestaat reeds voor hogere bedienden aangeworven sedert 1 januari 2012, met name door middel van een opzeggingstermijn van 29 kalenderdagen per gewerkt jaar.

5. Compensaties voor de historische achterstand van de arbeiders

De tegenhanger van ‘verworven rechten’ is de historische achterstand van de arbeiders. Het kan niet zijn dat de nieuwe telling voor de arbeiders enkel geldt voor de ‘anciënniteit’ opgebouwd vanaf 1 januari 2014. Daarom bevat de nieuw ontslagregeling een compensatie voor de arbeiders aangeworven vóór 1 januari 2014. Deze compensatie is het verschil tussen wat de arbeider zou moeten krijgen op basis van de nieuwe regeling indien alle jaren worden meegeteld en wat de arbeider krijgt op basis van de bestaande regeling (tot 31 december 2013). Dit verschil zou worden bijgepast door de overheid (RVA). De compensatie zouden geleidelijk worden ingevoerd. Eerst voor de arbeiders met 20 jaar anciënniteit en uiteindelijk zou de compensatie vanaf 1 januari 2017 voor alle (voormalige) arbeiders moeten gelden. Zolang deze arbeiders nog niet onder de compensatieregeling vallen, zullen ze aanspraak kunnen maken op de reeds bestaande ontslaguitkering (tot 3.750 euro netto vanaf 10 jaar anciënniteit).

6. Activering van de opzeggingsvergoeding

Het is de bedoeling dat 1/3e van de opzeggingstermijn (of -vergoeding) besteed wordt aan de ‘inzetbaarheid’ van de werknemer. Weliswaar zal er een gewaarborgde opzeggingstermijn of vergoeding gelden van minstens 6 maanden. Dit zal grotendeels moeten worden geregeld in de sectoren. De regering zal hiervoor parafiscale stimuli uitwerken. Elke werknemer met een anciënniteit van minstens 6 maanden, zal een recht op outplacement hebben (thans geldt dit recht enkel voor 45 plussers). Het zal de werkgever worden toegestaan worden om een gedeelte van de kostprijs van het outplacement aan te rekenen op de opzeggingstermijn (of -vergoeding). In het regeringscompromis is er sprake van een vergoeding tot 4 weken van de opzeggingstermijn. Het sollicitatieverlof zal verplicht moeten worden gebruikt in het kader van de outplacementbegeleiding.

7.Nieuwe regeling voor willekeurig ontslag

De regeling voor willekeurig ontslag bestaat vandaag enkel voor de arbeiders. De werkgever moet aantonen dat het ontslag te maken heeft met bedrijfsorganisatorische redenen of te wijten is aan het gedrag van de arbeider. Slaagt de werkgever niet in dat bewijs dan moet hij een schadevergoeding van zes maanden betalen. De regering voorziet een veralgemening van de ontslagmotivering. Daartoe wordt opdracht gegeven aan de NAR. De wettelijke regeling van de arbeiders zal dus vervangen worden door een nationale cao.

8. Afwijkende ontslagregeling zal slechts voor bepaalde activiteiten kunnen

In tal van sectoren, zoals de bouwsector, gelden vandaag erg korte opzeggingstermijnen. De regering is bereid nog uitzonderingen toe te laten, maar deze moeten worden beperkt tot bepaalde activiteiten. Het zal dus niet meer kunnen om een volledige sector als uitzondering te beschouwen. De regering zal algemene criteria uitwerken om de aard van de uitgezonderde activiteiten te bepalen. Men denkt onder meer aan een specifieke uitzondering voor ‘werkzaamheden in tijdelijke en mobiele werkplaatsen’. In elk geval zal de uitzondering nooit lager kunnen zijn dan wat bepaald werd in cao 75.

9. Sectorale regelingen bestaanszekerheid moeten herbekeken worden

In tal van sectoren werden regelingen getroffen om de zwakke ontslagbescherming van arbeiders te compenseren door middel van aanvullende vergoedingen betaald door het fonds voor bestaanszekerheid. Deze regelingen zullen geïntegreerd moeten worden in de nieuwe opzeggingsregeling. Hoe dit moet gebeuren en welke afspraken daaromtrent zullen worden gemaakt met aanverwante ‘bediendesectoren’ is geheel onduidelijk.

10. Globale oplossing wordt doorgeschoven

De regering voorziet weliswaar dat ook andere aspecten van het onderscheid tussen arbeiders en bedienden geregeld moeten worden, maar schuift dit door naar de sociale partners. Ze zal enkel een dwingend tijdskader opleggen. Dit zou betekenen dat aparte regelingen voor arbeiders en bedienen nog enige tijd kunnen blijven bestaan, ook na 1 januari 2014. Maar ondertussen kan die ‘ongelijke behandeling ‘ wel juridisch aangevochten worden. Het ACV heeft haar juridische diensten opgedragen om zich daarin terughoudend op te stellen. Voor wat betreft de discriminatie tussen arbeiders en bedienden in de aanvullende pensioenen, komt er een apart voorstel van minister De Croo.

(Situatie op 1 september 2013.)


Print   Email